Door Romy Klein Kranenbarg, Arts-onderzoeker Neurologie
Mijn onderbuikgevoel zegt dat vandaag weleens de dag kan zijn, dus ietwat nerveus check ik op mijn volle polidag, tussen de patiënten door, mijn telefoon. En al na de tweede patiënt is het raak: drie gemiste oproepen van mijn broer. Dit kan maar één ding betekenen: hij is vader geworden. Terugbellen lukt pas later, ik loop al uit. In de loop van de middag krijg ik hem eindelijk te pakken via een videooproep: gelukkig, een grote lach op zijn gezicht! En binnen no-time zie ik mijn lieve nieuwe nichtje in beeld. Tante Romy it is! Alles is goed gegaan: een vlotte bevalling, geen complicaties en ze is helemaal gezond. Ik kan het bijna niet geloven. Naast de blijdschap die ik voel voor mijn broer en schoonzus, ben ik verbaasd over hoe soepel het hele proces van zwanger worden tot en met bevalling bij hen is verlopen. Ik begin me langzaam te realiseren dat dit dus óók mogelijk is. Mijn enige ervaring met bevallingen komt vanuit mijn coschap gynaecologie, waarbij ik van alles voorbij heb zien komen: verlossingen met tang en vacuümpomp, een post-partum fluxus en spoedsectio’s. Mijn voornaamste ervaring met pasgeborenen komt vanuit mijn kliniekwerk op de afdeling Neurologie, waar ik tijdens mijn afgelopen weekenddienst op de kinder-IC nog zorgde voor pasgeborenen met epilepsie, een bacteriële hersenvliesontsteking en zelfs een hersenbloeding. Ik realiseer me dat mijn beeld behoorlijk vertekend is en mijn beroepsdeformatie verder reikt dan ik dacht.
‘Tot ze me plots aankeek: ‘Kan je het zien?’ Met het schaamrood op mijn kaken liep ik snel door’
Zo staarde ik onlangs verbaasd naar de wensenlijst op de bruiloftsuitnodiging van een collega: een persoonlijke LP. Een persoonlijke LP? Zij werkt ook bij de afdeling Neurologie, maar waarom zet ze een lumbaalpunctie op haar uitnodiging? Oh, wacht, dit gaat natuurlijk om een andere LP…
In de Albert Heijn betrapte ik mezelf er vervolgens op dat ik een vrouw observeerde met een loopstoornis: breedbasisch, licht spastisch, in mijn hoofd vormde zich al een differentiaaldiagnose. Tot ze me plots aankeek: ‘Kan je het zien?’ Met het schaamrood op mijn kaken liep ik snel door.
Laatst ging het nog verder en werd ik wakker met een tintelend been en een klapvoet en dacht ik even: heb ik MS? Waarschijnlijk gewoon een zenuwbeknelling doordat ik vaak met mijn benen over elkaar zit, maar toch. Als ik het bespreek met een collega reageert ze lachend ‘… iedereen die een MS PhD doet, denkt op enig moment zelf MS te hebben’.
Thuis is de analyse korter: als mijn vriend thuiskomt met een zere knie na een hockeywedstrijd zegt hij cynisch: ‘… dat doet jou toch niks, jij bent afgestompt’.
Dat mijn werk op vele manieren verweven raakt met mijn dagelijks leven moge duidelijk zijn. Maar is dat erg? Ik vind van niet. Het strookt misschien niet helemaal met een uitspraak die ik tegenwoordig steeds vaker om mij heen hoor: dat je je werk niet mee naar huis moet nemen. Maar dit is misschien makkelijk gezegd voor iemand zonder beroep waarbij de mens en het (dis)functioneren daarvan centraal staat. Voor iemand die dagelijks werkt met mensen én dit razend interessant vindt, is het minder vanzelfsprekend om je werk volledig uit te schakelen zodra je je werkplek verlaat. De kunst zit hem er mijns inziens in, je hier bewust van te zijn en je ook te kunnen verplaatsen in mensen zónder medische achtergrond. Dus met een glimlach op mijn gezicht hoor ik de zorgen aan van mijn broer over de eerste boertjes van zijn dochter, mompel ik ‘Sorry …’ tegen de vrouw in de Albert Heijn en inspecteer ik de zere knie van mijn vriend, terwijl ik me realiseer hoe heerlijk het kan zijn als je probeert bij tijd en wijle wél even je beroepsdeformatie uit te schakelen.





